
Raad van State: ‘Gemeente Oldebroek wijst verzoek om planschade terecht af, maar heeft wel fouten gemaakt’
18 juli 2024 om 08:35 RechtbankDoor de gemeente Oldebroek zijn fouten gemaakt bij de beoordeling van een aanvraag om planschade. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die heeft wel geoordeeld dat de gemeente terecht het verzoek om planschade heeft afgewezen.
Wijnand Kooijmans
De indiener van het beroep bij het hoogste rechtsorgaan exploiteert een autobedrijf met showroom en een werkplaats in Wezep, gelegen dicht bij rijksweg A28. Zij geeft aan door het verdwijnen van de op- en afritten bij Wezep voor de komst van een nieuwe aansluiting op het bedrijventerrein H02, de bereikbaarheid en vindbaarheid van haar bedrijf is verslechterd en dit tot een verlies aan inkomsten leidt en een waardevermindering van haar eigendom.
In eerste instantie oordeelde de rechtbank dat haar bezwaar gegrond was en verplichte het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek een nieuw besluit te nemen. Ook werd de gemeente een boete opgelegd van vijfhonderd euro, omdat niet tijdig was beslist op het verzoek. Tegen deze uitspraak werd beroep ingesteld door het college. In een nieuw besluit werd de aanvraag om planschade vervolgens opnieuw afgewezen.
Reden voor de vrouw ook naar de Raad van State te stappen. Voor de besluitvorming maakte het college van Oldebroek in eerste instantie gebruik van de diensten van Thorbecke B.V. De betreffende afdeling van de Raad van State geeft de rechtbank nu gelijk dat het bureau de planologische vergelijking niet op juiste wijze heeft uitgevoerd. Er had moeten worden uitgegaan van de meest ongunstige planologische mogelijkheden en dat was het verdwijnen van de op-en afritten van Rijksweg A28 op de Zuiderzeestraatweg.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college voor het nieuwe besluit gebruik gemaakt van de diensten van SAOZ. Die oordeelde dat op grond van het oude bestemmingsplanverplaatsing van de op- en afritten ook al mogelijk. Dat betekent dat het bedrijf geen planologische garantie had dat de verdwenen op- en afritten in stand zouden blijven.
Dat maakt dat de Raad van State oordeelt dat het vervallen van de op- en afritten geen rechtstreeks gevolg is van het nieuwe bestemmingsplan. Dat betekent dat de aanvraag om planschade door de eigenares van het bedrijf terecht door het college is afgewezen.
Het betekent wel dat de gemeente verplicht is de proceskosten van 1.750 euro aan de eigenares van het bedrijf moet vergoeden. Ook moet de gemeente 548 euro aan griffierechten betalen.











