
650 jaar terug in de tijd met Joke Eikenaar
17 juni 2025 om 14:30 HistorieVlakbij Wezep, aan de Polweg, stond in de 14e eeuw slot Puttenstein. Het kasteel werd bewoond door (roof)ridder Herbern van Putten. Hij voerde in die tijd een schrikbewind en roofde zowel mensen als goederen. Uitgeput sloegen de bewoners uit de omgeving de handen ineen en verklaarden de oorlog aan de ridder en zijn zonen. Kampen, Kamperveen en Elburg vormden een boerenleger. Mannen uit Wezep, dat ook zwaar te lijden had onder ridder Herbern, sloten zich daar gretig bij aan. Met hulp van de bisschop werd het kasteel belegerd en op 1 september 1375 overwonnen.
“Dat is over een paar maanden exact 650 jaar geleden”, vertelt schrijfster Joke Eikenaar uit Wezep. “De val van de burcht is heel belangrijk geweest voor onze streek. Maar rondom die tijd speelde er nog veel meer. Zoals een Gelderse burgeroorlog vanwege de ruzie tussen twee zussen en de plaatsing van de vijftienjarige bastaardzoon van Reinoud van Gelre in kasteel Hattem, bijvoorbeeld.”
Het was in die periode een woelige tijd op de Noord-Veluwe en dat is precies waarover de nieuwe historische roman van Joke Eikenaar gaat. Deze Young Adult roman heeft de titel ‘Reservekinderen’ en verschijnt in augustus. Voor het schrijven van dit boek (en eerder verschenen romans) deed Joke Eikenaar veel research naar de geschiedenis van Wezep en omliggende plaatsen.
In deze krant publiceren we een deel van een Puttensteins verhaal, dat speciaal werd geschreven door Joke Eikenaar ter gelegenheid van het feit dat het 650 jaar geleden is dat het kasteel werd overwonnen. Wie de afloop wil weten, is van harte welkom op het Zomerfestival dat gehouden wordt op 20 juni van 16.00 tot 19.30 uur op het Raadhuisplein in Oldebroek. Daar leest de schrijfster het vervolg van het verhaal voor en vertelt ze meer over de val van Puttenstein.
De Gijzelaar
Al vijftien dagen zat Hein in de kerker, tussen ratten, uitwerpselen en ongewassen mannenlijven, toen de zware deur met het tralieraampje openging. Zes gevangenen werden ruw naar buiten getrokken. Hein was een van die zes. Ridder van Putten zou hem vast willen verhoren, dacht hij. Maar nee.
‘Zo, uitschot,’ zei een wacht. ‘Kom maar mee. De galg wacht op jullie op de voorburcht. Bevel van ridder Herbern. We moeten ruimte maken in onze kerkers.’
De gevangenen keken elkaar aan, met grote ogen in hun smerige gezichten.
Zonder verhoor, dacht Hein benauwd. Zo achteloos gedood… Paniek schoot door zijn lijf.
Gewapende wachten joegen hem en de anderen de trap op, het daglicht in. Als schapen werden ze over de smalle brug gedreven, de enige uitgang uit de hoofdburcht. Jacob en hij hadden het vaak erover gehad. Wat als je gevangen genomen was? Hoe zou je kunnen vluchten uit het kasteel? De beste kans was de brug tussen hoofd- en voorburcht, daar waren ze het over eens. Geen wacht zou zo gek zijn je achterna te springen. Ze zouden eerst moeten omlopen, en dat gaf tijd genoeg naar de kant te zwemmen en eruit te klimmen. Maar nu hij over die brug sjokte, meters hoog boven het water, was hij bang. Het water was zo diep, en zo zwart. De val zou vast lang duren, en er waren zoveel wachten bij! Hun speren waren scherp. Hij durfde niet. Verslagen keek hij weer voor zich.
Ineens klonk een kreet van een van de gevangenen, terwijl die naar voren stormde in een wanhopige poging aan het lot te ontsnappen. Twee anderen volgden zijn voorbeeld.
‘Een uitbraak!’ schreeuwde een wacht. ‘Pak ze!’
Twee wachten zetten de achtervolging in, en twee bewaakten de resterende gevangenen. Maar hun blik was gericht op het tumult van de ontsnapping, recht voor hen. In een impuls greep Hein de reling en gooide zich eroverheen. De schreeuw van een wacht kaatste tussen de burchtmuren, vlak voor hij door het wateroppervlak schoot.
Proestend kwam hij boven. Een speer vloog langs zijn hoofd. Hij dook onder en zwom om de bocht van de ronde hoofdburcht. Zou Jacob er nog aan gedacht hebben? Zou hij een touw met knopen aan de kade hebben gehangen, zoals afgesproken in hun plan? Ja! Het hing er! Hij zwom erheen en pakte het vast. Hij schrok van kreten uit de richting van de hoofdpoort. De wachten kwamen er al aan! Snel liet Hein het touw los, plukte een holle rietstengel en zwom terug naar de kasteelmuur. Daar dook hij onder een dot waterplanten. Onzichtbaar, zuurstof zuigend door de rietstengel, observeerde Hein de wachten. Die liepen rustig langs de rand, de gracht afspeurend.
‘Hij moet nog in het water liggen,’ hoorde Hein. ‘De kant is veel te hoog om eruit te klimmen.’












