Mevrouw Meester met het genoemde boek.
Mevrouw Meester met het genoemde boek. Hanneke Bloemendaal

Rubriek 80 jaar vrijheid: ‘Dankzij difterie vertrokken de bij ons ingekwartierde Duitsers’

7 september 2024 om 06:00 80jaarvrijheid

Al een jaar of 20 woont de 92-jarige mevrouw Meester met veel plezier in De Hullen in Oldebroek. Zeker 15 jaar zat ze ook in de cliëntenraad. “Er wordt hier heel veel georganiseerd. Ik houd vooral van de creatieve activiteiten”, vertelt ze. “Dat heb ik van mijn moeder, zij naaide heel veel. Vooral in de oorlog, dan maakte ze van boerenkleding jurkjes en voor mijn broers broeken. Ze zorgde er ook voor dat wij nooit honger hadden. Melk haalde ze bij de boer en eieren kreeg ze soms van de vrouw van de dominee. En toen ik ziek was, kwam de slagersvrouw een hele pan soep brengen. Er is ook een keer stiekem een varkentje geslacht en voedselbonnen spaarde mijn moeder voor mijn oom uit Amsterdam. Het is een periode geweest die je nooit meer vergeet en die ik ook nooit meer hoop mee te maken.”

Hanneke Bloemendaal

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was de geboren en getogen Oldebroekse 8 jaar. “We waren thuis met twee meisjes en twee jongens. Ik was de derde van het gezin. We woonden aan de Zuiderzeestraatweg 113. Mijn vader was timmerman, mijn ene opa was klompenmaker en de andere wagenmaker. Ik kwam uit een creatieve familie. Wat me heel erg is bijgebleven is dat er op onze school hersenvliesontsteking uitbrak. Een meisje van mijn leeftijd sliep bij haar moeder in de bedstee. De moeder had tuberculose en de dochter kreeg vervolgens hersenvliesontsteking. Er zijn toen zeven kinderen uit onze klas overleden. Ik kreeg tbc en moest voor het open raam slapen. Moet je je voorstellen: het was oorlog en de vliegtuigen raasden over ons huis. Dat maakte een enorm lawaai, ik vond het heel eng, helemaal met dat raam open. Mijn moeder gaf me luciferdoosjes om mee te knutselen. Ik mocht twee maanden lang niks doen. ik herinner me dat er regelmatig twee dames langs liepen om te kijken hoe het met me ging: ze zwaaiden voor het raam. Later vertelde mijn moeder dat het Jodinnen waren, die ondergedoken zaten.” Ze vervolgt: “Er zaten in de oorlog veel Joden ondergedoken in Oldebroek. We hadden een ‘Oranjedominee’, dominee Koolhaas, die was verbonden aan de Lambertuskerk. De dominee zorgde voor onderduikadressen voor Joden en overnachtingsplekken voor trekkers. Er kwamen veel mensen vanuit de grote steden onze kant op, op zoek naar voedsel. Ons gezin heeft geen honger gehad in de oorlog. Mijn ouders huurden in die tijd een stuk land van de gemeente, aan de Kostersweg. Daar teelden ze onder andere aardappels. Die gaf mijn moeder dan weg aan trekkers: Ik had ook een oom, hij woonde in Amsterdam en die kwam ook geregeld naar ons voor eten. Mijn moeder gaf oom Jan ook voedselbonnen mee. Ze had ook eens een varkentje kunnen kopen, dat hield ze in de schuur. Dat heeft mijn oom toen samen met mijn moeder stiekem geslacht, een tante gebruikte het vlees om balkenbrij van te maken. Verder aten we veel pap in de oorlog.” 

Mevrouw vertelt dat er op een gegeven moment ook twee Duitsers ingekwartierd werden in hun huis. “Je had daar helemaal niets over te zeggen. Ze hebben niet zo heel lang bij ons gewoond, want mijn zus kreeg difterie en ik vervolgens ook. De Duitsers waren als de dood voor besmettelijke ziektes, dus ze waren snel weer vertrokken. Mijn moeder heeft wel altijd gezegd dat het best lieve jongens waren van amper 20 jaar, die dingen moesten doen die ze niet wilden. Dat is in elke oorlog zo.”
Er aan toevoegend: “Nee, ik hoop nooit meer een oorlog mee te maken. Het is echt verschrikkelijk.  Als je nu weer al die ellende in Oekraïne ziet, al die kinders... verschrikkelijk. Ik denk wel eens: die Poetin gaat nooit dood.”

Het gesprek eindigt met een lach, want de bevrijding heeft, net als de oorlog, diepe indruk gemaakt. “Dat was zo leuk. Het hele dorp was versierd met vlaggetjes. De Canadezen reden op hun tanks door de straten. Ik weet nog dat ze armbandjes voor ons maakten. Ze deden ook spelletjes met ons. Ze konden onze namen niet uitspreken, daar moesten we altijd erg om lachen. Ik heb ze daarna nooit meer gezien. Dat vind ik best jammer.”

Mevrouw heeft geen foto’s uit de oorlog. “Er werden toen geen foto’s gemaakt. Maar kijk, dit boek ‘Kuieren door ‘t dorp Oldebroek’ is in 2010 uitgegeven door oudheidkundige vereniging De Broeklanden. Het is geschreven door Frits Vaessen. Hier staat ons gezin op de foto, dat was voor de oorlog.”
Ze verzucht: “We hebben het gelukkig allemaal overleefd. Na de oorlog ging ik naar school in Elburg. We werden toen met een vrachtauto gebracht, want bussen reden er niet. Nog later heb ik een modeopleiding gedaan in Zwolle. Die interesse voor kleding maken, heb ik van mijn moeder, ik stond als kind al te kijken hoe ze zelf kleding maakt. Nog steeds houd ik erg van mode.”

 Foto van voor de oorlog met rechts Geertje Meester.
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant

advertentie
advertentie