Een rijke dame bezoekt een arm gezin. G.Terbraak 1835 (Rijksmuseum)
Een rijke dame bezoekt een arm gezin. G.Terbraak 1835 (Rijksmuseum) NoVa

Het Genootschap der Moederlijke Weldadigheid

15 oktober 2025 om 06:00 Historie

Mariëlle Bos van het Noord-Veluws Archief (NoVA) bespreekt in deze rubriek maandelijks een wisselend onderwerp uit de gemeenten Nunspeet, Elburg of Oldebroek.

Maart 1830 - Geertje zakte met een zucht terug in de pas opgeschudde kussens. In haar armen lag haar pasgeboren dochtertje Egberta. Gelukkig was alles goed gegaan na dit moeilijke jaar. Het werd eindelijk behaaglijk warm in het kleine huisje van Jan en Geertje Staal. Ze waren zo blij met de hulp van de vroedvrouw. Door de bijdrage van twintig gulden van het Genootschap der Moederlijke Weldadigheid konden ze de vroedvrouw betalen en de belangrijkste dingen kunnen kopen.

Nederland kent unieke geboortezorg. Pas in de twintigste eeuw werd kraamzorg door opgeleide kraamverzorgenden uitgevoerd; daarvoor hielpen vooral bakers of vroedvrouwen. In de negentiende eeuw was het jonge Koninkrijk der Nederlanden arm en uitgeput na de Franse Tijd. In de hogere kringen groeide het besef dat hulp nodig was, gesteund door koning Willem I. Zo ontstonden liefdadige initiatieven, zoals het Genootschap van Moederlijke Weldadigheid.

De Staatscourant meldde jaarlijks de stand van de armoedezorg en noemt deze genootschappen. In 1829 waren er zes, in 1830 al 23, verspreid over het hele land. Hun doel was arme kraamvrouwen te ondersteunen; sommige, zoals in Verviers, bevorderden ook vaccinaties tegen koepokken.

In Oldebroek werd in 1829 een Genootschap van Moederlijke Weldadigheid opgericht. Een twaalftal dames schreef zich in als ‘contribuant’. Welgestelde vrouwen uit de gemeente droegen hun steentje bij. Bijvoorbeeld kapiteinsvrouw Aleida Johanna van de Merwede, geboren Van Ingen, maar ook mevrouw van Heeckeren.

Volgens het reglement moesten de dames tenminste drie gulden per jaar doneren. In 1830 werd het eerste bedrag geïnd over dat jaar en het voorgaande jaar. Een aantal leden gaf aanmerkelijk meer dan de vastgestelde contributie. Tezamen was de opbrengst honderd gulden.

De ambtenaar van de Burgerlijke Stand, Hendrik Heijmens, werd aangewezen om het budget te beheren naar eigen inzicht. Dat is bijzonder, omdat bij andere genootschappen het geld in beheer bleef van de leden van het genootschap. Eveneens uniek was dat de kraamvrouw het geld ter beschikking kreeg en zelf mocht bepalen waaraan ze het uitgaf. In eerste instantie was dat vooral bedoeld voor verloskundige hulp en de eerste behoeften van de baby, maar mocht ook aan iets anders besteed worden. Meestal werden de voorwaarden tot in de details vastgelegd. In Oldebroek was dat niet zo.

Uit de documenten in het archief van de gemeente Oldebroek kunnen we achterhalen dat in ieder geval het gezin van Jan en Geertje Staal is geholpen met een financiële bijdrage van twintig gulden. Hoewel Jan en Geertje een klein beetje verlichting kregen door de bijdrage, was 1830 een rampjaar voor het gezin Staal. Op 7 oktober overleed hun zoontje Gerrit op 4-jarige leeftijd. Jan Staal overleed slechts zes weken na zijn zoon. Geertje bleef achter met de kleine Egberta.

Hoe het verder gaat met het Genootschap van Moederlijke Weldadigheid in Oldebroek weten we nog niet. Daarvoor is meer onderzoek nodig in de financiële administratie.

De brief waarin Willem I het genootschap goedkeurt.
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant

advertentie
advertentie