
Rubriek 80 jaar vrijheid: ‘Als kind waren we helemaal niet bang voor de Duitsers’
2 januari 2025 om 06:00 80jaarvrijheidHenk Koele (94) is geboren en opgegroeid in de Voskuil in Hattemerbroek. Op steenworp afstand van de Willem de Zwijgerkazerne die in 1939 is geopend. Hij komt uit een gezin van twaalf kinderen, waarvan er drie ouder waren. “Ik weet nog heel veel van de oorlog en op verjaardagen mag ik er graag over vertellen.”
Barry Wensink
We spreken Koele op de hoogste verdieping van het pand Turfhorst aan de Noordsingel in Wezep. Daar krijgen we al snel te horen dat de oorlog in deze omgeving begon op 19 mei 1940 toen de Duitsers de IJsselbrug bij Zwolle opbliezen. Vóór die tijd was er al veel armoede en het werd alsmaar slechter. “Al snel verlieten de Nederlandse militairen de kazerne. In de periode daarvoor gingen we er als kinderen regelmatig eten halen. Dat kregen we gratis. We stonden met een emmertje aan de poort. Met name op vrijdag was het feest, want dan hadden ze kapucijners met spekjes.
Dat wilden die stadse mensen, oftewel veel van die militairen, niet hebben.” Deze ‘gratis maaltijdvoorziening’ viel in de oorlog weg toen de kazerne door de Duitsers werd ingenomen. “Om eerlijk te zijn hadden we in het begin helemaal geen last van de Duitsers. Zij deden ook maar wat ze werd opgedragen en we maakten regelmatig een praatje met ze.”
In die tijd was er in de Voskuil een winkeltje met de naam Tiktak. “Het was een verzamelpunt voor boeren. Ook om nieuws te horen in de oorlog. Dat was handig, want je had geen radio of zo dus je hoorde niets. Bij Tiktak werd van alles verkocht. Denk bijvoorbeeld aan brood en aan suiker.”
Halverwege de oorlog werd er af en toe een varken of een schaap geslacht. “Dat was opletten, want het mocht niet van de Duitsers. Alleen de stroper in de buurt kon slachten en mijn moeder regelde dat. Mijn vader wilde er weinig mee te maken hebben. Ik moest helpen de poten van de dieren vasthouden. Wát een tijd. Het vlees werd verkocht en mijn broer en ik brachten het op de fiets, met houten banden, naar de klanten. Toen hadden we het financieel iets beter, hoewel mijn moeder nooit misbruik maakte van de situatie en dus geen hoge bedragen vroeg. Ik weet nog dat ze een half varken naar Zwolle wilde brengen, maar dit verborgen moest houden voor de Duitsers. In die tijd was er de ziekte difterie en dat was erg besmettelijk. Mijn moeder huurde een tentwagen, verborg het halve varken en vertelde dat ze een ziek kind bij zich had en op weg was naar het krankenhaus, oftewel het ziekenhuis. Zo ontliep ze een controle.”
Henk Koele gaat verder: “Op een gegeven moment was het brood van de bakker echt niet meer te eten.
Het meel was op en ze deden er andere dingen in. Er werd van alles opgegeten, waaronder bloembollen.” Brandstof om bijvoorbeeld de kachel mee te laten branden werd ook steeds schaarser. “Ze kwamen toen op het idee om de afrasteringspaaltjes van de boeren in de polder te stelen. Je moest overleven. Als kind hebben we ook kolen gestolen bij de kazerne, zodat we thuis weer wat de stoken hadden. Heel gevaarlijk natuurlijk, want de Duitsers waren altijd in de buurt.”
Het woord luchtgevechten valt. “Daar hebben we ontzettend veel van gezien. De bommenwerpers waren op weg naar Duitsland en de route ging precies over Hattemerbroek. Ze raakten regelmatig in gevecht met de Duitse jagers. Daarvan kwam er één naar beneden, nadat deze was geraakt. Als kinderen liepen we er snel naar toe om te kijken. We waren helemaal niet bang. Waarschijnlijk waren we daar nog te veel kind voor. Ook als de Duitsers oefeningen hadden, gingen we kijken. Er was verder ook weinig te doen. Op school merkten we er de eerste jaren weinig van. Er was een koperen hoorn en als we die hoorden, moesten we in de gang gaan zitten. Op een gegeven moment hoefden we niet meer naar school, want het werd te gevaarlijk met de beschietingen. De school ging uiteindelijk op slot en het laatste half jaar heb ik gemist. Ik was 14,5 jaar en ben bij een klompenmaker gaan werken.”
Henk Koele noemt de naam van zijn oudere broer Gerrit. “Hij heeft heel veel meegemaakt in de oorlog en was zeventien jaar toen de oorlog uitbrak.” We krijgen een boekje te zien met als titel ‘Het oorlogsverleden van Gerrit Koele’. “Hij was bij de ondergrondse en werkte later bij een boer in Zalk en die man had geen kinderen. Nog weer later kwam hij er als onderduiker, nadat hij vast had gezeten. Die boer heeft mijn broer op naam gezet, want dat was veel gunstiger. Ze hadden een aparte ruimte voor hem gebouwd, een stukje van de boerderij vandaan. Daar lag ook een Engelse piloot verborgen onder tabaksplanten.”
“Ik kijk er zelf iedere keer weer van op dat ik nog zoveel over de oorlog weet te vertellen. Het is echt een tijd die nooit vergeten mag worden”, aldus Henk Koele tot besluit.









